126 Bouwactiviteiten uitvoeren : werknemer of zelfstandige?

02/07/2013

Bij Koninklijk Besluit van 7 juni 2013 werd een weerlegbaar vermoeden ingevoerd waardoor een persoon die bouwactiviteiten uitvoert, geacht wordt verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst indien voldaan is aan een aantal criteria.

Met dit Koninklijk Besluit wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die werd voorzien in de Arbeidsrelatiewet om voor bepaalde beroepen criteria vast te stellen aan de hand waarvan - op weerlegbare wijze - wordt vastgesteld of de betrokken persoon tewerkgesteld is als zelfstandige dan wel als werknemer. Lees meer hierover in ons artikel verschenen op onze website op 28 september 2012 "Schijnzelfstandigheid en de arbeidsrelatiewet: Nieuwigheden".

Op welke bouwactiviteiten is het koninklijk besluit van toepassing?  

Het koninklijk besluit is allereerst enkel van toepassing op de bouwactiviteiten waarvoor de volgende paritaire comités van toepassing zijn:

  • het paritair comité voor de stoffering en houtbewerking (126);
  • het paritair comité voor het bouwbedrijf (124);
  • het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (111);
  • het paritair subcomité voor de elektriciens: installatie en distributie (149.01).

In die paritaire comités worden vervolgens enkel geviseerd bepaalde onroerende werkzaamheden. Het gaat meer bepaald om het bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden, reinigen en geheel of ten dele afbreken van een onroerend goed. Daarnaast gaat het eveneens om de levering van een roerend goed dat meteen op zodanige wijze wordt aangebracht aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

Onder bepaalde onroerende werkzaamheden wordt eveneens verstaan iedere handeling die betrekking heeft zowel op de levering als op de aanhechting van:

  • een installatie voor centrale verwarming of airconditioning;
  • een sanitaire installatie;
  • een elektrische (bel)installatie, alarmtoestellen en een huistelefoon;
  • opbergkasten, gootstenen, wastafels, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;
  • luiken en rolluiken aan de buitenkant van een gebouw; en,
  • vloerbedekking.

Het ressorteren van de activiteit onder de bevoegdheid van één van de vier hierboven opgesomde paritaire comités en het voorhanden zijn van onroerende werkzaamheden, maken dus cumulatieve voorwaarden uit opdat het weerlegbaar vermoeden zou kunnen worden toegepast.

Welke zijn de criteria?

Indien aan minimum vijf van onderstaande criteria voldaan is, is het weerlegbaar vermoeden van toepassing. In dat geval zal de betrokken persoon geacht worden een werknemer te zijn.

De criteria zijn de volgende:

1) Hij draagt geen financieel of economisch risico.

Dit is onder meer het geval wanneer hij geen persoonlijke en substantiële investering in de onderneming doet met eigen middelen, geen persoonlijke en substantiële deelname heeft in de winsten en de verliezen van de onderneming of wanneer op hem geen persoonlijke aansprakelijkheid rust (met uitzondering van de aansprakelijkheid omschreven in de Arbeidsovereenkomstenwet).

2) Hij draagt noch verantwoordelijkheid, noch beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming.

Dit dient te worden verstaan als verantwoordelijkheid of beslissingsmacht over onder andere de uitgaven, ontvangsten, investeringen of de aanwending van de al dan niet eigen middelen van de onderneming.

3) De betrokkene heeft geen beslissingsmacht over het aankoop- en prijsbeleid van de onderneming, geen vrijheid in het identificeren van mogelijke klanten of het onderhandelen of het afsluiten van contracten.

4) De betrokken persoon heeft garantie op de betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties die hij geleverd heeft.

Er mag bij deze beoordeling geen rekening worden gehouden met vaste voorschotten om materiaal en grondstoffen aan te kopen.

5) Hij beschikt niet over de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen.

6) De betrokkene doet zich niet voor als een onderneming ten overstaan van andere personen of zijn medecontractant.

Dit is met name het geval wanneer geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde zichtbare elementen die kenmerkend zijn voor de onderneming, zoals logo’s, belettering op voertuigen, uithangborden of publicitaire slogans.

7) Hij werkt hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant.

8) Hij werkt in ruimtes die zich buiten de werf bevinden of met materiaal waarvan men geen eigenaar of huurder is.

Dit is het geval wanneer gewerkt wordt in ruimtes die aangewend worden als opslag- of werkplaats, of met voertuigen, materieel of gereedschap waarvan de betrokkene geen eigenaar is, die hij niet heeft geleased of die hem door de medecontractant werden ter beschikking gesteld.

9) Hij werkt niet onafhankelijk ten overstaan van de werkploegen van de medecontractant of van de onderneming waarin hij de hoedanigheid van werkende vennoot heeft.

Aangezien het om een weerlegbaar vermoeden gaat, is het - wanneer voldaan is aan minstens vijf van bovenstaande criteria - aan de werkgever om aan te voeren dat het in voorkomend geval toch gaat om arbeid uitgevoerd op zelfstandige basis.

Indien de werkgever dit bewijs niet kan voorleggen, dan wordt de betrokkene geacht tewerkgesteld te zijn middels een arbeidsovereenkomst.

Inwerkingtreding

Het weerlegbaar vermoeden treedt in werking op 5 juli 2013. Vanaf die datum is het vermoeden eveneens van toepassing op overeenkomsten die reeds vóór die datum werden afgesloten.

Terug